Waarom zijn vliegen zo moeilijk dood te slaan?
Een vlieg ziet de mepper vroeg aankomen, en een snel vluchtcircuit lanceert hem binnen een paar honderdsten van een seconde de lucht in.
Drie dingen werken in het voordeel van de vlieg. Zijn ogen overzien bijna de hele ruimte om hem heen, dus van achteren besluipen lukt nauwelijks. Hij ziet sneller dan wij, zodat een hand voor hem langzaam lijkt. En hij heeft neuronen met één taak: ze vuren als iets in beeld snel groter wordt, zoals een vliegenmepper die dichterbij komt.
Die naderingsneuronen zijn verbonden met de reuzenvezel, een heel dikke zenuwcel die van het brein omlaag loopt naar de neuronen die de springpoten aansturen. Een dikke vezel geleidt zijn signaal snel, dus het bevel om te springen komt bijna meteen aan. Als hij even de tijd heeft, verzet een vlieg eerst zijn poten, zodat de sprong hem van de mepper weg draagt. In een noodgeval kan de reuzenvezel hem meteen lanceren.
Bekijk het in een les
Kernbegrippen
- Naderingsneuronen
- Zenuwcellen achter de ogen van de vlieg. Ze vuren als iets snel groter wordt in beeld, zoals een naderende vliegenmepper. Wetenschappers noemen ze LC4 en LPLC2.
- Reuzenvezel
- Een heel dikke zenuwcel die van het brein omlaag loopt, de zenuwstreng in. Hij vervoert het snelste ontsnappingssignaal van de vlieg. Een vlieg heeft er twee, één aan elke kant.
- Springneuronen
- Motorneuronen die de springspieren van de middelste poten laten samentrekken, zodat de vlieg de lucht in schiet.
- Reflexboog
- De route die een reflex volgt: van sensorische neuronen, via één of meer schakelcellen, naar de motorneuronen die een spier bewegen.