Hoe weet een vlieg welke kant hij op kijkt?
Een vlieg heeft een intern kompas: een ring van neuronen waarin één actieve plek zijn richting aangeeft. Draaien verschuift die plek.
Midden in het brein van de vlieg zijn kompasneuronen in een ring met elkaar verbonden. Op elk moment is maar één plek ervan actief, en waar die plek op de ring zit, staat voor de richting waarin de vlieg kijkt. Wetenschappers zagen die plek in 2015 voor het eerst bewegen in het brein van een levende vlieg.
Als de vlieg draait, duwen draaineuronen de plek rond over de ring. Dat alleen zou langzaam fout gaan, dus gebruikt de vlieg ook wat hij ziet: ringneuronen brengen oriëntatiepunten zoals de zon binnen en houden de plek op zijn plaats. Het kompas is niet magnetisch. Het is een patroon van activiteit dat de vlieg steeds bijwerkt, en in het donker drijft het langzaam af.
Bekijk het in een les
Kernbegrippen
- Kompasneuronen
- Een ring van zenuwcellen die bijhoudt welke kant de vlieg op kijkt. Wetenschappers noemen ze E-PG-neuronen.
- Activiteitsbult
- De vlek van actieve kompasneuronen. Waar hij op de ring zit, laat zien welke kant de vlieg op kijkt.
- Draaineuronen
- Zenuwcellen die vuren als de vlieg draait en de bult over het kompas duwen. Wetenschappers noemen ze P-EN2-neuronen.
- Ringneuronen
- Zenuwcellen die naar het kompas brengen wat de vlieg ziet, zoals oriëntatiepunten. Ze remmen de kompasneuronen af, en dat houdt de bult op zijn plek.
- Oriëntatiepunt
- Iets wat de vlieg ziet en wat op zijn plek blijft, zoals de zon of een boom. De vlieg gebruikt het om zijn richtingsgevoel stabiel te houden.